DE ONTWIKKELINGSFASEN VAN DE JONGE HOND VANAF DE GEBOORTE
0-2 weken: Neonatale periode
Deze periode wordt gekenmerkt door eten, drinken, slapen, overleven. De reuk- en tastzin zijn al wel aanwezig.
2-3 weken: Overgangsperiode
De ogen en oren gaan open en daarmee twee belangrijke communicatiekanalen naar de buitenwereld. De pup krijgt interesse voor zijn
directe omgeving, zoals geluiden en licht.
3-12 weken: Primaire Socialisatieperiode
Dit is een uiterst belangrijke periode, waarin de hond allerlei ervaringen opdoet en ook op moet doen, die in belangrijke mate bepalend zullen zijn voor de manier waarop hij zich zijn hele verdere leven gedraagt.
Het gaat hierbij om het wennen aan de wereld om hem heen en alles wat daarin leeft (= socialiseren). Omgevingsindrukken worden nu in het geheugen vastgelegd,
rangordegedrag begint zich te vormen en wordt voor het leven vastgelegd. Vanaf de 3e tot +/- de 8e week raakt de pup vertrouwd met nestgenoten, de fokker, het gezin en de wereld buiten (zoals vreemde mensen, kinderen, verkeer, stofzuiger, harde geluiden, muziek, etc.)
Deze indrukken worden ingeprent voor het leven. Belangrijk is dan ook, dat het positieve indrukken zijn. Vanaf ongeveer de 8e week moet de nieuwe eigenaar zorgen dat de pup allerlei positieve indrukken opdoet. De pup moet vertrouwd gemaakt worden met nog meer nieuwe mensen, dieren en situaties, zoals trein, auto, verschillende diersoorten, kinderen, winkelcentra, etc. Alles waarmee in deze periode op een positieve manier kennis wordt gemaakt, zal de pup later als “gewoon” accepteren.
U moet beseffen, dat een slecht verlopen socialisatie vrijwel altijd tot problemen leidt
Het is dus belangrijk om deze tijd zo goed mogelijk te benutten. In deze drukke, leergierige fase is het zaak de pup duidelijk te maken wat wel en wat niet mag.
Gedragsfouten streng, doch vriendelijk en met resolute stem onmiddellijk corrigeren. Bijvoorbeeld: niet bijten, niet poepen op de stoep, niet trekken aan de riem, niet piepen of blaffen bij alleen zijn, etc.
We leren wel Zit, Af, Staan, Hier komen, Borstelen, enz. De goede dingen zeer uitbundig en met een hoge stem belonen. Laat de omgeving maar lachen.
Dit alles moet nu in korte “onderwijslessen” consequent en vriendelijk worden aan- of afgeleerd. Per dag 5 tot 8 keer, gedurende 10 minuten uitlaten c.q. trainen.
Als de pup in deze fase bijvoorbeeld leert wat apporteren is, zal hij het een leven lang met het grootste plezier voor u doen.
Verkeerd of niet aangeleerd gedrag zijn na deze periode niet of zeer moeilijk te herstellen en dat is niet leuk voor de hond en de baas.
12-26 weken: Secundaire socialisatieperiode
Deze periode is erg belangrijk voor de relatie die er in de toekomst tussen de hond en het gezin (voor de hond zijn roedel) zal bestaan. In deze periode wordt namelijk ondermeer bepaald welke plaats de jonge hond in de rangorde zal innemen. Ook in deze tijd is het overigens erg belangrijk dat de hond kennis maakt met verschillende nieuwe situaties en prikkels.
5 maanden en verder: Puberteit
In deze puberale fase wil de hond zeker weten of u een consequente en verantwoording dragende roedelleider bent. De hond wordt ondernemender en onderzoekt zijn en uw grenzen. Om daar achter te komen is het dier af en toe expres ongehoorzaam en weet dat ook goed. Wees dan streng en resoluut en raak niet machteloos geïrriteerd als een leraar die geen orde kan houden. Dat zou door de hond gezien kunnen worden als onbetrouwbaarheid van de roedelleider, wat het dier onzeker en zenuwachtig zou kunnen maken.
Faalt u als leider, dan kan de hond de leiding willen overnemen. Als u dan ook nog eens de hond voor dit “stoere”gedrag gaat belonen, dan bent u in conflictsituaties machteloos.
Honden slaan elkaar nooit. Ook u moet dus NOOIT een hond slaan. (slaan is menselijk gedrag, bijten is honds gedrag). De hond zal dit niet begrijpen als een correctie op zijn ongewenste gedrag. Hij zal hier slechts van leren dat zijn roedelleider asociaal gedrag vertoont. Het enige wat hij kan, is zich tegen die onbegrepen bedreiging verdedigen en als reactie, u een keer in angst bijten (dat is voor de hond pure noodweer).
Als u moet corrigeren, doe dit dan op een “hondse” manier. Bij echte ongehoorzaamheid
is het beter de hond te “bijten” met uw handen, door hem in zijn nekvel te grijpen (knijpen), neer te drukken en tevens boos toe te spreken. Dit is een correctie waar de hond mee uit de voeten kan.
Men mag de hond hierbij nooit schudden. Een hond schudt zijn roedelgenoten niet. Dit gebeurt alleen bij het doodschudden van de prooi.
Daarna ongeveer 5 minuten totaal negeren en vervolgens via een kleine oefening (bijvoorbeeld Kom hier, af, zit, etc.) de rangorde weer bevestigen. Uiteraard de hond belonen bij het goed uitvoeren van die betreffende oefening.
3 jaar en verder:
Vanaf ongeveer 3 jaar zijn de meeste honden lichamelijk en geestelijk volgroeid. Het gedragspatroon lig nu vast en de beste tijd om de hond snel iets aan te leren is voorbij. Dit betekent echter niet, dat een hond nu niets meer kan leren. Het is voor u en de hond van het grootste belang, dat hij geestelijk en lichamelijk wordt beziggehouden ( bij voorbeeld Gehoorzaamheid, Behendigheid, Flyball, IPO). Zo wordt vervelend gedrag voorkomen en blijft de hond gezond en actief.
Bedenk dat een hond een hond is en geen mens. Een hond is een zeer complex en boeiend wezen. De opvoeding van een hond is daarom in een betrekkelijk korte periode een zeer intensief, maar dankbaar en boeiend gebeuren, waar vooral niet te licht over moet worden gedacht.
Per jaar moeten in Nederland zo’n 17.000 mensen in ziekenhuizen behandeld worden voor letsel veroorzaakt door hondenbeten.
Een oorzaak hiervan is vaak, dat mensen niet weten hoe met honden om te gaan en hondengedrag verkeerd interpreteren. Daardoor worden in Nederland vele duizenden honden afgemaakt, omdat ze onherstelbaar verkeerd zijn opgevoed door hun eigenaren an daardoor een gevaar zijn geworden voor hun omgeving.
Realiseert u zich dit dan ook goed tijdens de opvoeding van uw hond.
Mochten er tijdens de opvoeding problemen ontstaan, neemt u dan contact op met uw fokker of dierenarts.
Zij kunnen u, indien nodig doorverwijzen naar goed opgeleide gedragsdeskundigen.